InfoNu.nl > Reizen en Recreatie > Binnenland > Een tocht in 1823 en 2008 door Noord-Friesland

Een tocht in 1823 en 2008 door Noord-Friesland

Een tocht in 1823 en 2008 door Noord-Friesland In 1823 maakten twee jongemannen, Jacob van Lennep (zie foto) en Dirk van Hogendorp, vanuit Amsterdam een reis te voet, per trekschuit en per diligence door Nederland. Het verslag van Van Lennep (die later beroemd werd als romanschrijver) werd in 1942 in boekvorm uitgegeven Hier volgt, op basis van de tocht uit 1823, een beschrijving van de route voor zover het Noordoost-Friesland betreft.
We beginnen in Leeuwarden waar de heren op dinsdag 17 juni al om vier uur ’s morgens ‘ten bedde uit sprongen’ om aan de tocht naar Dokkum te beginnen. Aan de hand van de beschrijving kunt u per auto zelf de tocht ook maken. Fietsen kan ook, en de lange afstandwandelaars kunnen het natuurlijk lopen. Het gebruik van een goede fiets- of wandelkaart is dan wel aan te bevelen.

Leeuwarden

Het was dus nog vroeg, die 17e juni 1823. Toen geen uitzonderlijke tijd om op te staan. Men was dan ook gewend tegen negen uur ’s avonds te gaan slapen. Van Lennep en zijn compagnon hadden het echter de zondagavond daarvoor erg laat gemaakt (het aangename gezelschap van een oude vriendin, mevrouw Rengers (‘Henriëtte’), was daar debet aan). Toch gingen de mannen op het vroege tijdstip ‘blijmoedig op weg’. Het plan was om ‘door Stijn, Halm, Ferwert en andere dorpen langs een fraaien omweg naar Dokkum te gaan’. Maar het weer zat tegen.

‘(…) toen, hemel!, de zon op eens door een wolken floers bedek werd, de wind uit het noordoosten met geweld opstak en zware regendruppels ons in ’t aangezicht stuiven deed, meeuwen en zwaluwen ons, heen en weder fladderend, ongeluk voorspelden. Dit deed ons (…) van besluit veranderen en naar ene herberg trekken buiten de Dokkumer poort gelegen.’

Hier zal de Hoeksterpoort bedoeld zijn, die ook een waterpoort bevatte waardoor de Ee stroomde. En bij de (Dokkumer) Ee moesten de heren zijn, want ze hadden het plan opgevat om vanwege het slechte weer met de trekschuit naar Dokkum te gaan. (In 1831 werd de Hoeksterpoort trouwens afgebroken.) Tegenwoordig kunnen we mooi per fiets langs diezelfde Dokkumer Ee van Leeuwarden naar Dokkum – en omgekeerd.

De trekschuit (in het noorden ook wel snik of snakke genoemd) was in die tijd een belangrijk vervoermiddel; de streekbus van de 19e eeuw, zou je kunnen zeggen. Vooral gold dat voor de kleigebieden en laaggelegen streken waar, zeker in de winter, het vervoer over de landwegen slechts met veel moeite kon plaatsvinden. Van Lennep vertelt over zijn tocht met de snik:

‘Te negen ure kondigde de jager door op een blikken hoorn te blazen, als in Friesland de gewoonte is, de aftocht aan. Wij plaatsten ons met vier of vijf heren in de roef, en brachten drie uren diep stilzwijgend door, terwijl het onophoudelijk regende en waaide. (…) Te Dokkum aangekomen zijnde zochten wij de herberg ” de Posthoorn” op, bij de erven Pivé.’

Dokkum

De Posthoorn bestaat nog altijd en nog altijd biedt het, onder andere, onderdak aan reizigers. Ook de trekschuit is er nog. Tenminste, tegenwoordig is er een replica van een 19e eeuwse snik, in 1980 in Amsterdam gebouwd. Het schip kwam uiteindelijk in Dokkum terecht. In 1995 werd het formeel in eigendom overgedragen aan een daartoe opgerichte stichting.
Het vaartuig heeft een ruim (tweede klasse) met zitplaatsen voor ongeveer 20 personen en een roef (eerste klasse) voor 10 reizigers.

In 1823 zullen de reizigers rond 8 stuivers betaald hebben voor een tocht van Leeuwarden naar Dokkum. Ook heden ten dage kunnen er tochtjes met de schuit gemaakt worden - de prijzen zijn natuurlijk aangepast... In juli en augustus iedere woensdagmiddag, vertrek om 13.30, 14.30 en 15.30 uur; opstappen tegenover het stadhuis (inlichtingen bij de VVV).
Terug naar De Posthoorn, 1823. Van Lennep en Van Hogendorp hebben ‘eene goede kamer’ toegewezen gekregen en gaan na het eten (om twee uur) een wandeling maken.

‘(…)de stad rond, die vrij groot is met een breede gracht doorsneden, en met fraaie huizen en wallen voorzien. Na onze wandeling schelden wij bij den geleerden predikant Adriani aan, wien Tydeman ons aanbevolen had, hoopende eenige inlichtingen omtrent Dokkum te erlangen.’ [Tydeman was een professor in de rechten te Leiden; Van Lennep was in die faculteit bijna afgestudeerd toen hij de reis in 1823 maakte. Arius Adriani was predikant in Dokkum vanaf 1795 (hij overleed in 1830)].

Het werd geen aangenaam gesprek met de dominee. Deze had blijkbaar geen tijd (of zin) in een gesprek met de jongelui en liet dat al te duidelijk merken. Hij wordt door Van Lennep in het verslag dan ook ‘de Frieschen buffel’ genoemd. En hij vervolgt:

‘Dit slecht afgeloopen bezoek stelde ons buiten staat iets nopens Dokkum en deszelfs omstreken te vernemen. Ik kan dus niet veel omtrent deze stad verhalen dan alleen dat de meeste huizen nog groote luifels hebben. Na thee gedronken te hebben schreven wij en gingen te negen ure naar bed.’

We gaan er natuurlijk vanuit dat de dominee geen goed voorbeeld van de gemiddelde Dokkumer was in 1823. In ieder geval: toeristen worden tegenwoordig gastvrij ontvangen in de stad. En wie iets wil vernemen ‘nopens Dokkum en deszelfs omstreken’ wordt vriendelijk en deskundig van alle informatie voorzien bij de VVV Op de Fetze.

Naar Kollum

Op woensdag 18 juni 1823 vertrokken de heren ’s morgens vroeg uit Dokkum. Van Lennep schrijft:

‘Te vier ure riep de knecht ons op: de lucht was opgeklaard, doch de wegen nog nat en de morgen zeer guur: derhalve verkozen wij ons in een schuit van vijf ure naar Kollum te begeven. De vaart liep in den beginne door lage weilanden, maar het gezicht werd langzamerhand door fraaie heeren- en boerenplaatsen veraangenaamd. Verder gekomen stapten wij uit de schuit en wandelden door korenvelden, met meidoorens, elzen en kreupelhout omplant naar het fraaie dorp dat een der grootste van Friesland is. En 1400 inwoners telt.

De twee wandelaars kunnen dus het landschap hier zeer waarderen. Van Lennep heeft het ook nog over ‘een heerlijk bosch met hooge toppen’ en aan zijn linkerkant neemt hij ‘welige en vette landerijen en zeer schoone runddieren’ waar. We kunnen ons zo voorstellen dat ze in de buurt van Driesum / Kettingwier uit de boot gestapt zijn om verder te wandelen via het pad richting Westergeest. (U kunt dat tegenwoordig ook doen; u loopt dan een gedeelte van een van de Historische Wandelpaden. Zie daarvoor betreffende kaart die u bij de VVV in Dokkum en Kollum kunt verkrijgen) Als we de kaart van de wandelpaden volgen gaan we eerst richting Westergeest om vanaf de Nieuwe Zwemmer richting Dokkumer Nieuwe Zijlen te gaan. De heren deden dat ook zo ongeveer, want we lezen:

‘We traden op een klein voetpad langs meerdere wei- en bouwlanden tot op een binnen zeedijk voort, die ons op de zoogenaamde Nie zielen / Nije Zijlen of Nieuwe sluizen bracht. Eer wij aan dezelve kwamen, vonden wij op den dijk een naald of obelisk ter hoogte van tien voet met een koperen knop op de punt, en door middel van vier zwarte klooten op een pedestal van vijf voet hoogte rustende.

Hij beschrijft vervolgens welke wapens en opschriften erop staan (ook nu ter plekke nog goed te lezen). De naald werd in 1729 onthuld ‘ter eeuwiger gedachtenis’ aan de waterbouwkundige werken die toen voltooid waren. Mede namelijk naar aanleiding van de beruchte kerstvloed van 1717 was het ‘Dockumerslijk’ (de aanslibbing bij Dokkum) ingepolderd en het vaarwater van de Ee verlegd en gekanaliseerd (Dokkumer Grootdiep). De kustlijn en daarmee de zeedijk werd zodoende aanmerkelijk ingekort. En er kwamen nieuwe spui- en schutsluizen in de buurt van Engwierum: Dokkumer Nieuwe Zijlen. De zijl in Dokkum (tegenover het raadhuis) verloor daarmee zijn functie en de oude zeedijken werden nu slaperdijken die gedeeltelijk zijn afgegraven De ontwerper van de nieuwe zeedijk met sluizencomplex was Willem Loré en uitvoering was in handen van de Leeuwarder bouwmeester Claes Balck. De gedenknaald diende ook als grenspaal tussen de toenmalige gemeenten Oost-Dongeradeel en Kollumerland. Het haventje bij de sluis heeft zich tot een nostalgische plek ontwikkeld met een paar karakteristieke panden aan de waterkant. En sinds de inpoldering van de Lauwerszee, kijken reizigers nu uit over het weidse Lauwersmeergebied. In 1823 was daar dus de zee. Ook stond herberg De Pater er al. Die werd gebouwd in 1729. En het was ongetwijfeld daar, dat de heren de borrel dronken waar sprake van is:

‘Aan de noordzijde van de dijk hadden wij de zee, door een lagen veengrond van ons afgescheiden. Deze ligt bij hoog water onder. – Verder komende genaakten wij die trotsche sluizen, drie in getal, waarvan elk drie dubbele buiten- en drie dubbele binnen deuren heeft. Slechts twee of drie kleine vaartuigen lagen binnen de sluis. Na dezelve wel bezichtigd en een borrel gebruikt te hebben, keerden wij terug en kwamen (…) te Kollum aan. Nu gingen wij in de fraaie bosschaadjen van den Heer De Went wandelen (…). Wij zagen ons voor een groote portiek van 130 à 150 voeten hoogte. (…) Onder het portiek gekomen zagen wij dat elke laan op zoodanig een portiek uitliep, die vereenigd een gebouw uitmaakten. Dit gebouw heeft een rijke Oost-Indië vaarder met name De Wendt om zijn naam te vereeuwigen, daargesteld en bij zijn dood beschreven dat het moest onderhouden worden. Daar zijne neeven en nichten hem plaagden, maakte hij twee Heeren Went, die hij slechts bij name kende, universeele erfgenamen op de voorwaarde dat zjj zijn naam zouden aannemen. Een hunner is thans in ’t bezit van die plaats.'

Van Lennep en Van Hogendorp waren in Kollum – volgens een bijgevoegde noot - terecht gekomen op de buitenplaats Oostenburg, ‘aangelegd door Eyzo Wendt (1718-1780), grietman van West-Dongeradeel, vele jaren in dienst van de Oost-Indische Compagnie. Hij doet veel om Kollum vooruit te brengen door het aanmoedigen van arbeid en het verzorgen van de armen’. Het landgoed van Wendt lag, globaal genomen, tussen de Trekvaart en het huidige centrum van het dorp. Het moet, inclusief poorten, trappen en een soort berg van steen met een zomerhuis er bovenop, een nogal bombastisch geheel geweest zijn. In ieder geval was het vervallen in 1823 en in 1836 werd het op afbraak verkocht. De grietenij kocht het. Vervolgens verrees op de fundamenten van het huis Oostenburg een armhuis. Het Multifunctioneel Centrum Oostenburg, de Oostenburgstraat en natuurlijk de Eyso de Wendtstraat herinneren aan dat verleden. Laten wij teruggaan naar 1823 en zien wat Van Lennep ervan vertelt:

‘Nu zagen wij het gebouw, maar ras bekroop ons de lust het te beklimmen. Al de trappen zoo wel die nog bestonden als de vervallene waren met muren afgesloten die zich tot in een slootje uitstrekten (…) Doch een der jongens die daaromtrent speelden, zeide ons: hier langs kunt gij gemakkelijk opkomen. Wij volgden hem. Hij geleidt ons langs een muur (…) Hij toont ons een taaien esschentak (…) hij springt toe, grijpt denzelfen en slingert zich aan de andere zijde des muurs.(…) [De heren en de andere jongens doen hetzelfde en spoedig lopen ze tussen de ingestorte trappen door over het verwaarloosde landgoed]. ‘Wij klouterden over heesters, bouwvallen, steenklompen, enz. de hoogte op’

Als ze eenmaal boven zijn genieten ze van een ‘heerlijk en wijd uitgestrekt gezicht’. Dan moeten ze weer terug

‘Wij volgden onzen leidsman, die op een muur klimt en zich van tien voet hoogte laat afzakken. Ik neem hetzelfde besluit en kom toen als op mijne voeten te land, doch mijn arme reisgenoot valt tot vreugd van mij en de jongen, onder ons schaterend gelach, op zijne ‘partes posteriores’. Lachende om het denkbeeld dat wij even als verraders, door verspieders begeleid, eene forteres beklommen hadden wandelden wij langs aangenaame dreven voort.’

De reizigers gaan nu naar herberg De Roskam. Dat treft: net als Van Lennep en Van Hogendorp kunnen toeristen en recreanten ook tegenwoordig nog altijd terecht in De Roskam (aan de Voorstraat). (Zie daarvoor o.a. www.vvvlauwersland.nl)

“In de herberg de Roskam gekeerd, bezagen wij aldaar een paardentuig en hoofdstel met zilver ingelegd dat de volgenden dag verreden moest worden, aten te half één een warm kalfsschijfje, duiven enz. en een heerlijk beschuitje met bessensap. N.B. wij hadden in Friesland altijd de ´Schinkenkuhr´ gedaan.”

De Roskam was vele jaren betrokken bij harddraverijen. De herberg werd in 1823 bestierd door de ´kasteleinsche´ de weduwe van Joh. Valks. Het bedrijf (´herberg, logement en stalling´) werd verkocht in 1827. Een advertentie uit 1831 maakt duidelijk dat A.L. Zuidema er toen kastelein was en dat er nog altijd harddraverijen georganiseerd werden.

We lezen in het veslag van Van Lennep dat hij en zijn metgezel die dag, 18 juni 1823, verder trokken, richting Groningen:
'Te half drie wandelden wij naar Stroobosch waar de grensscheiding van Friesland en Groningen is. Hier kwamen wij te vier ure aan, zagen een dertigtal turfschepen met wimpel en vlag, die in de vaart een vrolijk schouwspel opleverde, en wachteden de schuit af.”

Naar Groningen

Hoe de heren van Kollum naar Stroobosch zijn gewandeld, weten we niet. Ze zouden via Burum gegaan kunnen zijn, maar gezien de tijd die ze er over deden (anderhalf uur), kunnen we er welhaast zeker van zijn dat ze rechtstreeks gingen en dat was waarschijnlijk langs de Stroobosser Trekvaart, over het jaagpad. Wat zou hen onderweg opgevallen zijn? We lezen er niets over, maar Augsbuurt komt wel in aanmerking. De kerk stond er in ieder geval al, want die dateert uit 1782. (Het gebouw is thans eigendom van de Stichting Alde Fryske Tsjerken en doet dienst als muziekkapel voor streekmuziekschool De Wâldsang; gedurende het winterseizoen zijn er muziekuitvoeringen.) Hoe dan ook, om vier uur waren ze in Stroobosch gearriveerd en vandaar vertrokken ze met de trekschuit naar de stad Groningen. “Tot halfweg zaten wij alleen in de roef en speelden ‘hombre à deux’. Ik verloor 22 duiten; toen kwamen er dames in de roef. Daarna de heer Buma, lid der Staten [ Bernardus Buma (1770-1838), lid van de Gedeputeerde Staten van Friesland, grietman van Baarderadeel] en de Luitt. Salverda met zijn neefje en nichtje, twee stoute kinderen. Kwartier over negen kwamen wij te Groningen, dat zich van verre, wegens deszelfs hooge torens bij uitstek prachtig voordoet”

De jongeheren bleven enige dagen in de stad. Dit bezoek zou hen nog lang heugen omdat zij er op onaangename wijze lastig gevallen werden door liberale studenten (Van Hogendorp was namelijk in 1822 gepromoveerd op een anti-liberaal proefschrift.) Van Lennep heeft dit avontuur in dichtvorm weergegeven in zijn verslag (het neemt meer dan 4 bladzijden in het betreffende boek in beslag…!) Op 22 juni vertrokken ze weer uit de stad, richting Zoutkamp.
23 juni gingen de heren verder naar Ulrum, Leens, Pieterburen, Warffum en overnachtten in Uithuizen. Vandaar ging het richting Winschoten. Vervolgens door Drenthe, Overijssel, Gelderland, Noord-Brabant, Utrecht en Zeeland. Op 30 augustus bevonden ze zich in Zierikzee. Daar breekt het dagboek abrupt af.

Lees verder

© 2008 - 2017 Petervandenburg, het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Gemeente LeeuwardenGemeente LeeuwardenLeeuwarden is een gemeente en stad in noord Nederland. Deze hoofdstad van de provincie Friesland heeft bijna 93.000 inwo…
Bezienswaardigheden in FrieslandFriesland is een hele mooie provincie. Er zijn vele bezienswaardigheden. Waar moet je zeker zijn geweest?
Bonifatius bij Duinkerke vermoordBonifatius nam in de achtste eeuw het missiewerk van Willibrord onder de Fresones (Friezen) rond Trajectum (Utrecht, vol…
De elf steden van de tocht der tochtenDe Elfstedentocht dankt zijn naam aan de elf steden die de schaatsenrijders aandoen bij het volbrengen van de tocht. Dat…
Groningen - Friesland: route Dokkum - Hogebeintum - AnjumGroningen - Friesland: route Dokkum - Hogebeintum - AnjumIn Friesland zeggen ze ‘terpen’, in Groningen ‘wierden’. Twee namen voor hetzelfde fenomeen in het noordelijk kustgebied…
Bronnen en referenties
  • Inleidingsfoto: See Above / Wikimedia Commons
  • J. van Lennep, Nederland in de goeden ouden tijd (verzorgd door M. Elisabeth Kluit)
  • www.petervandenburg.nl
  • Foto; http://www.gahetna.nl/collectie/afbeeldingen/fotocollectie/zoeken/q/zoekterm/dokkum

Reageer op het artikel "Een tocht in 1823 en 2008 door Noord-Friesland"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Infoteur: Petervandenburg
Laatste update: 03-11-2016
Rubriek: Reizen en Recreatie
Subrubriek: Binnenland
Bronnen en referenties: 4
Schrijf mee!